De drie gemeenschappen

Text: Bernard Hennebert — Vertaling: Stefaan Cosaert (CRIOC)

Het initiatief voor de gratis toegang tot de musea op twaalf zondagen per jaar werd gelanceerd in de Franse Gemeenschap. Het zou uiteraard logisch zijn indien heel België hetzelfde principe zou toepassen. Er zouden dus vertegenwoordigers van de Vlaamse en van de Duitstalige Gemeenschap moeten deelnemen aan deze operatie en er moeten ook aldaar politieke, culturele en sociale personaliteiten gevonden worden die het initiatief willen steunen. Contact: bernard.hennebert@consoloisirs.be – Site: www.consoloisirs.be

Alle musea twaalf zondagen per jaar gratis!

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel bestaan al iets meer dan 200 jaar, sinds de tijd van Bonaparte, en ze vormen het grootste museacomplex van ons land. Wie de aldaar tentoongestelde doeken van Breughel of Rubens – naast die van Bacon, David, Delacroix, Magritte of Khnopff – gratis wil ontdekken, moet er verplicht naartoe op de eerste woensdag van elke maand en kan er dan gedurende vier luttele uurtjes, tussen 13 en 17 uur zoals de regels voorschrijven die aan alle federale musea werden opgelegd, kosteloos van die pracht genieten.

Die magere voorziening op het vlak van « maandelijkse gratis toegang » is ruimschoots ontoereikend volgens Helena Bussers, de huidige hoofdconservatrice (al in functie sinds april 2003): « Waarom moet dat op woensdag? Wij hebben instructies gekregen vanuit de overheid. De traditie wil dat kinderen vrijaf hebben op woensdagnamiddag. Blijkbaar wordt vergeten dat volwassenen die van 9 tot 5 werken, ook musea bezoeken! De gepensioneerden kunnen natuurlijk wel langskomen, maar die hebben reeds recht op prijsverminderingen en de kinderen onder de 13 jaar mogen al gratis naar binnen. Dat er voor de woensdag gekozen wordt, is helemaal geen geschenk voor de potentiële bezoekers! »

55% toeristen

Het is ooit wel anders geweest! Midden jaren ’80 stond Brussel bekend als de hoofdstad met de dagelijks gratis toegankelijke musea. Dat was in de tijd toen de werken aan de « moderne » vleugel van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten werden beëindigd. Aangezien die werken gefinancierd werden met belastinggeld, leek het logisch dat de belastingbetalers zonder kosten naar binnen mochten in, bijvoorbeeld, het oude Museum voor Muziekinstrumenten, de Musea van het Jubelpark, de Musea voor Oude Kunst en Moderne Kunst, het Instituut voor Natuurwetenschappen, het Museum van Centraal-Afrika in Tervuren, enzovoort.

In 1997 voerde minister van Wetenschapsbeleid Yvan Ylieff de inkomgelden weer in om zijn instanties van meer financiële middelen te voorzien. De getuigenis van Mevr. Bussers toont ons dat het belangrijkste positieve gevolg daarvan was dat er minder vandalisme gepleegd werd in de zalen. Maar behalve dat… « Het aantal betalende bezoekers is met ongeveer 30% gedaald. De toeristen bleven komen, maar vooral de bezoekers die regelmatig de ene of andere zaal kwamen bezoeken, zijn weggevallen. »

Een studie uit februari 2004, getiteld « Image et notoriété des Etablissements Scientifiques fédéraux » (= beeld en bekendheid van de federale Wetenschappelijke Instellingen), toont aan dat 55% van de bezoekers in die musea buitenlandse toeristen zijn.

De betrokken musea zijn er alleszins niet rijk van geworden!

Sedertdien zijn ze aldoor terechte eisen voor een nieuwe omschakeling blijven stellen, maar hun « witboek » wacht nog altijd tevergeefs op enig gevolg vanwege de opeenvolgende bevoegde ministers!

Hoe tegenstrijdig het ook moge lijken, leidt geld vragen tot kosten, want wie zegt ticketverkoop, zegt ook inrichtingskosten en bijkomende personeelskosten. De positieve gevolgen van de beslissing van minister Ylieff blijven behoorlijk lachwekkend in verhouding tot de negatieve gevolgen: minder bezoeken van de autochtone bevolking en het feit dat de betalende bezoekers hun ticket willen doen renderen door zoveel mogelijk zalen te doorlopen en hun cultuurreis doorheen het museum zo snel mogelijk af te haspelen.

De mogelijkheden voor gratis inkom of voor prijsverminderingen zouden dus weer bijgestuurd moeten worden, zonder dat daarom naar de situatie van vóór 1997 teruggekeerd moet worden.

Oud-minister van Cultuur Christian Dupont merkte met een knipoog op: « Iets gratis ter beschikking stellen is niet altijd een teken van succes. Kijk maar naar het Domein van Mariemont dat helemaal gratis en totaal verlaten is! Daar komt (gelukkig) weer verandering in sinds er een klein inkomgeld wordt gevraagd en sinds er een nieuwe conservator werd aangesteld »(1).

Gratis toegang of waardeerbare prijsverminderingen die bij uitzondering worden toegestaan, kunnen voor spektakel zorgen en een ruimer publiek aantrekken dan het cenakel van de vaste bezoekers.

Voorbeelden: de Brusselse Musearaad werkt momenteel nog de laatste details uit voor de vierde editie van een « goedkope » formule die enorm aanslaat: de « Nachten van de Brusselse musea », die de mogelijkheid bieden om op een twaalftal donderdagen (van 30 september tot 9 december 2004) tussen 18 en 22 uur minstens vier verschillende musea per week te ontdekken tegen een inkomprijs van 0 à 2 euros, vaak nog omlijst met een feestelijk onthaal: concerten, geleide bezoeken, aperitief, enzovoort.

In februari laatstleden werden in het kader van de « Lente van de Musea » nog 149 musea in Brussel en Wallonië een hele zondag lang opengesteld voor het publiek, met tal van verrassingen en zonder inkom of tegen lage inkomprijzen. Resultaat: een verdubbeling van het aantal bezoekers in vergelijking met een klassieke vrije dag.

Ander memorabel evenement: meer dan tienduizend bezoekers voor de Opendeurdag van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten op zondag 7 december (van 10 tot 17 uur), ter gelegenheid van de inhuldiging van hun nieuwe zalen. Het publiek geeft dus wel degelijk respons als hun een verleidelijk aanbod wordt voorgelegd.

Centre de la Gravure, voorloper uit La Louvière

De studie uit februari 2004 (zie hoger) wil de Federale Wetenschappelijke Instellingen valoriseren en stelt vast dat het personeel daar meer doet naar de bezoekers toe die al naar het museum komen dan naar potentieel publiek toe. Om meer bezoekers aan te trekken, zo bevestigt de studie, zou het beter zijn om meer aandacht te besteden aan gemakkelijk parkeren, de kwaliteit van de brochures, aantrekkelijke inrichting en gemakkelijke prijsformules.

Het is dus logisch dat de idee om de gratis toegang op de eerste woensdag vanaf 13u te vervangen door gratis toegang de hele eerste zondag van de maand ook hier is doorgedrongen.

Het wondermooie « Centre de la Gravure et de l’Image Imprimée » (= het centrum voor etsen en drukwerk) in La Louvière heeft als eerste instantie in Wallonië deze praktijk overgenomen van diverse musea in Noord-Frankrijk. Julie Scouflaire, de communicatieverantwoordelijke, legt uit: « Voor ons past de gratis woensdag niet. Te veel mensen werken op die dag. Het doel van de gratis inkom is niet in de eerste plaats om het publiek dat zich toch al verplaatst een plezier te doen, maar wel om andere mensen aan te moedigen om onze tentoonstellingen te komen ontdekken. Toen het Centrum werd opgericht, ruim tien jaar geleden, bedroeg de toegangsprijs 50 BEF. We hebben later een redelijke prijs moeten zoeken waarmee we een ambitieuze uitstraling hebben. We passen het tarief van 4,50 euros toe met tal van kortingsmogelijkheden. In januari 2002 hebben we geopteerd voor gratis toegang op de eerste zondag van de maand, tussen 11 en 14 uur. Die tijdsvork kwam nogal vreemd over en daarom hebben we vanaf 2003 dat voordeel uitgebreid tot de hele dag. » Maar betekent dat niet dat jullie minder geld binnenkrijgen? « Wij zijn een vzw. Het is niet ons streven om zoveel mogelijk winst te maken. Onze opdracht bestaat erin tentoonstellingen aan te bieden en de mensen zover proberen te krijgen dat ze die tentoonstellingen komen ontdekken! »

Vaak matte woensdagnamiddagen

Ik heb in vier federale musea in februari en maart 2004 de test gedaan inzake de gratis toegang op de eerste woensdag van de maand. Slechts één van die musea doet het daarmee nog goed: het Museum voor Natuurwetenschappen. Dat komt waarschijnlijk doordat dit museum bijzonder geschikt is voor bezoeken van groepen jongeren en doordat het niet alleen de permanente collecties gratis laat bezichtigen, maar ook de tijdelijke tentoonstellingen kosteloos openstelt. Voor één zo’n tentoonstelling over liefde voor de dieren, getiteld « Fatal Attraction », realiseerde de bezoeker op de dag van de gratis toegang een niet te versmaden besparing van 7 euros!

Voor de andere drie musea geldt dat het bezoekersaantal niet ingrijpend beïnvloed wordt door de gratis inkom op woensdagen. In het Museum Antoine Wiertz tel ik een tiental volwassen bezoekers. In het Jubelparkmuseum is het publiek ook dun gezaaid. De witharige dame die er vrijwillig de bezoekers onthaalt, vertrouwt mij toe dat ik de officiële statistieken niet moet geloven! Er stond immers een lange rij voor de tijdelijke en te betalen tentoonstellingen over de islam en over Vietnam. Op een gegeven moment had zij nochtans gevraagd dat de bezoekers voor de permanente collecties, die op hun ticket van 0 euros stonden te wachten, uit de rij zouden stappen omdat zij zonder ticket konden worden binnengelaten!

Zij vindt dat de « gratis » eerste woensdag tot weinig dient: « Wat wilt u? Er wordt weinig reclame voor gemaakt. Wij krijgen hier mensen over de vloer die weinig geld hebben, die op hun uitgaven moeten letten, maar die toch geregeld terugkeren. Er zijn ook kinderen, maar voor hen is een bezoek ook gratis op alle andere dagen. De gratis toegang zou op zondag moeten zijn en zou beter aangekondigd moeten worden. »

In de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten is er evenmin een grote toeloop. Een bewaker in de buurt van de galerij met de Rubensschilderijen evalueert het als volgt: « Er is niet veel meer volk dan op de andere dagen, behalve enkele zwervers die vaste gasten geworden zijn op die dag van de gratis toegang. »

« …voor iedereen »

Na een interpellatie door senator Jean-François Istasse (PS) op 22 januari laatstleden over de voorkeur voor een gratis zondag in plaats van een gratis toegang op woensdag, heeft minister Fientje Moerman (VLD), die bevoegd is voor de federale musea, haar mening dienaangaande toegelicht. Ze heeft hem erop gewezen dat op woensdag na 13u « de kans het grootst is dat kinderen het museum zullen komen bezoeken met grootouders of met een ouder die zich op dat moment kan vrijmaken: deeltijds werkend, leerkracht of ander ». Die opsomming van de minister toont ongewild aan dat kiezen voor de woensdag discriminerend is voor de kinderen van ouders die voltijds werken… en vooral voor alle potentiële volwassen bezoekers die geen vrije uren hebben tijdens de week. Het is veelzeggend te ontdekken dat mevrouw Moerman impliciet erkent dat de gratis toegang voor alle bezoekers zou moeten gelden: « Een gedeeltelijke gratis toegang blijft een belangrijke maatregel voor het verbeteren van de toegang tot cultuur en om aan de belastingbetaler de mogelijkheid te bieden om gratis van cultuur te genieten. » Trouwens, de kinderen zouden toch ook op zondag naar de musea kunnen gaan met de grootouders… en zelfs met de hele rest van de familie!

Het feit dat de gratis toegang niet alleen voor het jonge publiek bestemd moet zijn, vind je ook impliciet terug in de nieuwe Regeringsverklaring van de Franse Gemeenschap, die op 9 juli laatstleden openbaar bekendgemaakt werd. Daarin wordt voorzien dat « de Regering de musea één dag per maand gratis zal openstellen ». Met welk doel? « Om alle bevolkingsgroepen een gemakkelijke toegang te verschaffen tot de rijkdommen van ons erfgoed… »

Belangen die niet altijd gelijklopend zijn

Fientje Moerman besluit haar antwoord met een voorstel: « Doorgaand op de idee van gedeeltelijke gratis toegang en in het bijzonder van gratis toegang tijdens een deel van het weekend, ga ik een rapport vragen aan het Observatorium van het publiek van de federale wetenschappelijke instanties om de verwachtingen van het publiek te kunnen evalueren… ».

De minister verwacht de resultaten van dit onderzoek in de loop van de komende herfst.

Alles hangt natuurlijk af van de manier waarop het publiek over dit onderwerp ondervraagd zal worden! Op 27 april laatstleden, op het evenement « Communiquer la culture » in Dampremy, tijdens een anderhalf uur durende workshop gewijd aan « het imago en de bekendheid van de culturele organismen », was de enige opmerking die de animator met specialisatie in de promotie en valorisatie van de federale wetenschappelijke instellingen over een eventueel gratis zondagbezoek maakte, bijzonder pejoratief: de bezoekers zouden « ervan profiteren » om geen cent te betalen…

In tegenstelling tot wat heel wat gebruikers denken, bestaan musea niet louter om hun nieuwsgierigheid en hun passie te bevredigen. Ze hebben ook een taak te vervullen op het gebied van bewaring van kunststukken en ze moeten vorsers in staat stellen om hun onderzoekswerk uit te voeren. Concreet zijn die verschillende doelstellingen niet noodzakelijk complementair of compatibel. Alain Decrop en Pietro Zidda, lesgevers in Beheerswetenschappen aan de universitaire Faculteiten van Notre-Dame de la Paix in Namen zien het probleem als volgt: « Door de verst(r)ikking in hun bewaaropdracht zien veel museumverantwoordelijken het publiek veeleer als een bron van last in plaats van als een bron van potentiële winst »(2). Toen hij minister van Economie was, belast met de Federale Instellingen, kwam Charles Picqué met een analoge diagnose, ook al was hij optimistisch over de toekomst: « De museumverantwoordelijken beginnen een andere kijk te krijgen op hun rol.

De federale musea zijn ook onderzoekssites voor de wetenschappers. Die moeten uit hun isolement treden en begrijpen dat de marketing niet per se hun werk in de weg staat!

Ze beginnen in te zien dat de museumbezoeker de meest waardevolle bondgenoot is voor hun eigen overleving! »(3).

De rechten van de bezoekers zijn niet altijd de eerste zorg van de overbelaste conservators van onze federale musea! Eén conservator wist zelfs niet dat zijn museum gestopt was met gratis toegang verschaffen aan werklozen en gehandicapten, zoals vroeger elke dag gold, en bleef daar openlijk reclame mee maken. Een andere oude conservator verklaarde op 18 mei 2004 zonder verpinken voor Télé Bruxelles dat het tot 30.000 euros kon kosten om één van onze musea een extra avond open te houden!

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel en het Jubelparkmuseum hebben al die jaren nergens (niet in hun folders, noch op hun prijslijsten) reclame gemaakt met de gratis toegang op de eerste woensdag van de maand. Het Louvre in Parijs, daarentegen, maakt van die dagen met vrije ingang een promotioneel argument in zijn reclamecampagnes! Die verandering is er gekomen, niet door tussenkomst van een vereniging van vrienden van de musea, maar omdat een bezoeker meerdere brieven geschreven heeft aan de twee conservators. Om in de Musea voor Oude en Moderne Kunst verandering teweeg te brengen, waren er een tiental brieven nodig (waarvan sommige aangetekend) tussen juni 1998 en januari 1999, alsook de aanklacht van het feit dat minstens één Japanse toeriste gevraagd werd om een toegangsticket te betalen terwijl de gratis toegangnamiddag al begonnen was. Tot daar wat voorafging aan het maken en ophangen van een opvallend groot spandoek (van meer dan twee meter hoog) vlakbij de kassa, waarop eindelijk de maandelijkse gratis toegang wordt aangekondigd. Duidelijk geen halve maatregelen… als ze eenmaal maatregelen nemen!

Roger Somville, Pierre Mertens… of Jeff Bodart!

De museumbezoekers doen er dus goed aan op te letten dat hun rechten gerespecteerd worden. In die sector is er geen vereniging (van het type Test-Aankoop) die hen systematisch beschermt. Zelfs verenigingen van het type « Vrienden van het museum » houden zich daarmee niet bezig, maar specialiseren zich eerder in het organiseren van cultuurreizen en het inzamelen van geld voor het aankopen en restaureren van kunststukken. Tot hen richtte minister Charles Picqué (zie hoger) het volgende voorstel: « De musea zouden belang hebben bij een uitbreiding van het principe van die verenigingen, die momenteel alleen maar uit verzamelaars, oud-ambtenaren en sponsors bestaan. Daar zouden gewone bezoekers aan toegevoegd moeten worden. Waarom zouden die verenigingen geen kernen kunnen worden voor informele bemiddeling tussen het publiek en de overheid? »(3).

Ondertussen circuleert er al sinds 15 januari laatstleden een « Oproep voor gratis toegang op de eerste zondagen van de maand in alle musea van België ».

Het originele aan die oproep ligt in het feit dat hij niet uitgaat van het « museummilieu » en dat hij probeert aan te tonen dat personaliteiten uit de meest uiteenlopende milieus een dergelijke stap aanbevelen. Onder de eerste ondertekenaars vinden we Arthur Haulot, Anne Morelli, Philippe Grollet, Roger Somville, Pierre Mertens, Daniel Hanssens, Jeff Bodart, Alain Berliner, de oud-ministers Philippe Mahoux (PS) en Richard Miller (MR), Joëlle Milquet (CDH), Jean-Michel Javaux (ECOLO), de Conseil de la Jeunesse (CJEF) alsook de twee grootste « sterren » van de RTBF, te weten Bla-Bla en Malvira (op vraag van hun scheppers: Bernard Halut en Patrick Chaboud)!(4)

Naast de gratis zondagtoegang beveelt deze « Oproep » ook aan »… dat elk museum elke maand een ander kunstwerk in de kijker zou plaatsen. Dat zal de nieuwsgierigheid van het publiek bevredigen en bij de media de interesse wekken om maand na maand deze festiviteiten aan te kondigen. »

Op dit moment lopen de culturele agenda’s van de geschreven pers of de lokale televisie niet over van de aankondigingen van de maandelijks terugkerende gratis toegang op elke eerste woensdag. Als ze daarentegen elke maand zouden kunnen aankondigen dat het publiek uitzonderlijk dit of gene beeldhouwwerk uit de voorraad van dit of gene museum kan gaan bewonderen of dat een ander museum om het uur een voorstelling verzorgt van een bepaald schilderwerk, zou dat een sterk signaal geven.

Op middellange en lange termijn

Twee senatoren, Isabelle Durant (ECOLO) en Jean-François Istasse (PS), leveren commentaar op dat voorstel in de « carte blanche » die ze hebben geschreven(5): « (…) Het lijkt ons dat zulke verplichting ook de creativiteit van de conservators en van hun personeel zou stimuleren. »

Aan die omschakeling hangt uiteraard een prijskaartje. Op korte termijn zal een minopbrengst gecompenseerd moeten worden want voor veel musea geldt dat ze op zondag hun hoogste bezoekersaantal tellen. Daar staat op middellange en lange termijn tegenover dat, als de musea er dankzij de gratis zondagen in slagen om de belangstelling van de media en van een nieuw publiek te wekken, daar onmiskenbare financiële voordelen aan verbonden zullen zijn. De senatoren Durant en Istasse verduidelijken: « (…) Gratis toegang tot de musea voorstellen kan de deur openen naar een nieuw publiek. Alle stadsmusea van Parijs hebben, sinds ze gratis zijn, een toename van hun bezoekersaantal met 78% mogen optekenen. Een analoog succes werd recent ook in het Verenigd Koninkrijk vastgesteld. »

Er is dus hoop dat er massa’s mensen op de toekomstige gratis « 1ste zondagen » zullen afkomen. Er zullen bijgevolg meer bewakers aangeworven moeten worden, met alle gevolgen vandien, wetend dat werkprestaties op woensdagen anders vergoed worden dan op zondagen! Die meerkost moet gefinancierd worden door de overheid, die in het kader van een herfinanciering deze logistieke en budgettaire kwestie moet beoordelen. De verandering van de gratis toegangsdag zal ontegenzeggelijk niet zonder financiële moeilijkheden verlopen. Maar wij zien het als een nuttige investering. De budgettaire kant van deze evolutie mag niet enkel op korte termijn bekeken worden. Behalve het feit dat de souvenirwinkels en restaurants ongetwijfeld meer opbrengsten zullen binnenrijven, zal er zeker ook een aanzienlijke toename zijn van het aantal bezoekers voor de tijdelijke en betalende tentoonstellingen in die musea, zowel op de gratis dag als op de daaropvolgende dagen. Immers, zoals bleek uit de ervaring in Parijs, nam het bezoekersaantal voor de tijdelijke evenementen met 36% toe in 2003. Wij beweren dat de gratis toegang op die twaalf zondagen ruimschoots kan bijdragen aan een uitbreiding van het publiek dat bereid is om een museumbezoek te beschouwen als een individuele, familiale of groepsactiviteit die heel leerrijk en interessant kan zijn voor een zondag. En er zijn niet alleen de federale musea! De musea die vallen onder de regionale overheden zouden ook kunnen deelnemen aan dit maandelijks ontdekkingsfeest. En laat onze burgemeesters ook niet vergeten dat, als hun gemeenten proberen elkaar te overtroeven in vindingrijkheid om hun erfgoed te belichten, ontstoffen en actualiseren, er andere sectoren in hun economische omgeving zullen zijn die voordeel zullen kunnen halen uit deze nieuwe feestelijke evenementen: restaurants, culturele centra, toeristische en verenigingsactiviteiten…

Meer dan 150 Elsenaars

Maar laten we met beide voeten op de grond blijven! Er zijn geen tovertrucs om op slag overal de gratis zondagtoegang in te voeren. En zullen de private musea volgen (zoals de supermarkten geleidelijk aan hun biologische afdelingen hebben ontwikkeld)?

Diane Hennebert, de verantwoordelijke voor het Atomium, vindt het voorstel verleidelijk, maar stelt zich toch vragen omtrent de uitvoerbaarheid: « Het is financieel niet evident. De weekends leveren de hoofdbrok van de inkomsten op. De vzw Atomium heeft sinds haar oprichting nog nooit subsidies ontvangen. De enige financiering waarop ze kan rekenen, zal besteed worden aan de renovatie van het gebouw. Die subsidie zal trouwens maar 70% van de kostprijs van de werken dekken. Kan er geen verstandiger verdeling van de openbare uitgaven in de Franse Gemeenschap doorgevoerd worden? Als men ziet hoeveel ministers er zijn tijdens sommige legislaturen en hoeveel er uitgegeven wordt voor kabinetten, ambtenaren en andere werkingskosten, is het op dit moment onmogelijk om een gezond cultureel beleid te voeren. Nochtans hangt de gezondheid van de musea en hun dynamisme voor een deel af van de steun vanuit die bijna uitgeputte financiële bron. Misschien zou er beter eerst actie gevoerd worden met het oog op een efficiënter beheer van die financiële middelen? »

De goede wil, de verbeeldingskracht en de (povere) budgetten van de gemeenten moeten ook in de strijd gegooid worden. Henri Simons, de schepen die belast is met de culturele dossiers van de Stad Brussel, gelooft in de rechtvaardigheid van die strijd voor de jaarlijkse twaalf gratis zondagen. Hij heeft een idee over de kostprijs van een dergelijk initiatief gelanceerd.

In Elsene zal de gemeenteraad erover debatteren tijdens de zitting op 30 september 2004 om 19u30, een voortvloeisel uit het gemeentelijk reglement dat een interpellatie van het College toelaat wanneer minstens 150 inwoners daarom vragen(6). En de gemeente Elsene heeft veel musea op haar grondgebied. Sommige zijn federale musea, andere zijn gemeentelijke of private musea! Dat wordt knokken om het laken naar zich toe te halen tussen de Musea Camille Lemonnier, Antoine Wiertz en Constantin Meunier(7), de Archieven voor Moderne Architectuur, het CIVA, de Loge, het Maison des Ecrivains, het Musée de l’Escrime en natuurlijk het gemeentelijk museum, met zijn rijke collectie van werken van Toulouse-Lautrec, Magritte, Dürer, Mucha, Permeke, Wouters, enzovoort.

Meer dan 150 Elsenaars vragen dus dat alle musea in hun gemeente werk maken van de gratis toegang op de eerste zondag van de maand vanaf 2005. Ze willen ook dat er voor dit debat reclame gemaakt wordt en dat erover gerapporteerd wordt via gemeentelijke affiches en in het ongeadresseerd blaadje « Info Elsene ».

Dat biedt in elk geval genoeg goede gelegenheden voor een concreet debat over de doelstellingen van een democratisch cultuurbeleid met en voor het publiek: in de Senaat, in de Parlementen van de verschillende Gewesten en in de gemeenteraden.

Bernard Hennebert
bernard.hennebert@consoloisirs.be

(1) In « Grands Entretiens » van de Fnac te Brussel, 16 maart 2004.
(2) Zie « De la gratuité des musées », La Libre Entreprise, 29 mei 2004.
(3) Zie « Pour une consommation culturelle citoyenne« , Le Ligueur, 7 mei 2003.
(4) Volledig overzicht van deze « pressie » en lijst van de eerste 70 personaliteiten die getekend hebben: zie www.consoloisirs.be
(5) « Pour une gratuité des musées, chaque 1er dimanche du mois« , La Libre Belgique, 9 juli 2004.
(6) Elsensesteenweg 168 te 1050 Brussel.
(7) Om de federale musea Wiertz en Meunier elke 1ste zondag van de maand gratis te kunnen openen, zal een kleine reorganisatie nodig zijn, want bij gebrek aan bewakers openen ze afwisselend elk één op de twee zondagen!

Vraag het programma!

In hun programma’s voor 2004 hebben twee partijen een duidelijk standpunt ingenomen.

De PS: « de » zondagen…

« (…) De PS wil dat systematisch gratis specifieke toegangsdagen worden ingevoerd in de musea van de Franse Gemeenschap en in de musea die de Franse Gemeenschap subsidieert. Bijzondere aandacht zou moeten worden besteed aan de dag die voor die gratis toegang wordt gekozen, zodanig dat een ruim publiek wordt bereikt zonder dat de inkomsten van de musea overmatig aangetast worden. De zondagen en de eerste woensdag van elke maand zouden een vaste keuze kunnen zijn als men een jong publiek wil aantrekken. Maar tegelijk zou idealiter bijzonder begeleidingswerk tijdens die dagen voorzien moeten worden. Evenzo zullen de educatieve diensten van de musea aangemoedigd worden om een beter onthaal voor de scholen en voor het grote publiek te voorzien. (vert.) (…) »

ECOLO: « alle musea »

« (…) Het debat over de gratis toegang moet eveneens hervat worden: de formules voor gratis toegang tot de musea op de eerste woensdag van de maand zijn niet efficiënt. Het initiatief van het Musée de la Gravure te La Louvière, dat een hele dag gratis toegang voorstelt op de eerste zondag van de maand is veel interessanter omdat daarmee hele gezinnen worden aangetrokken op momenten dat ze beschikbaar zijn. Dit initiatief zou veralgemeend moeten worden voor alle musea van de Franse Gemeenschap en ook voor de federale musea, in overleg met de federale overheid. Daarnaast herinneren wij aan de nood voor een federale herfinanciering van deze structuren. Deze gedeeltelijke gratis toegang zou moeten samengaan met het elke maand in de kijker plaatsen van een bijzonder kunststuk in elke instelling. Andere instanties zouden ook hun deuren kunnen openstellen voor het publiek door een dag-, avond- of weekendevenement te organiseren (type: opendeurdag): we denken bijvoorbeeld aan de theaters, de bibliotheken, de culturele centra. (vert.) (…) »